Energie-onafhankelijkheid als hefboom voor weerbaarheid en transitie
Energie-onafhankelijkheid als hefboom voor weerbaarheid en transitie
De opeenvolging van crisissen in het afgelopen decennium – van geopolitieke spanningen en handelsoorlogen tot de oorlog in Oekraïne en de daaropvolgende energiecrisis in 2022 – heeft Vlaanderen met de neus op de feiten gedrukt. Energie is geen vanzelfsprekend goed, maar een strategische voorwaarde voor economische stabiliteit en nationale autonomie. Voor een regio als Vlaanderen, met een energie-intensieve industrie, dichte bebouwing en relatief beperkte natuurlijke energiebronnen, is energie-onafhankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde voor toekomstbestendigheid.

Ontdek dit hoofdstuk
- Energie-onafhankelijkheid als hefboom voor weerbaarheid en transitie
- Circulair bouwen en materiaalkritieke onafhankelijkheid
- Investeren in defensie en versterking van strategische infrastructuur
- Capaciteit opbouwen voor snelle crisis-infrastructuur
- Klimaatadaptatie in Vlaanderen: bouwen aan weerbaarheid in tijden van verandering
- Van waterverspilling naar waterzekerheid
Ontdek dit hoofdstuk
- Energie-onafhankelijkheid als hefboom voor weerbaarheid en transitie
- Circulair bouwen en materiaalkritieke onafhankelijkheid
- Investeren in defensie en versterking van strategische infrastructuur
- Capaciteit opbouwen voor snelle crisis-infrastructuur
- Klimaatadaptatie in Vlaanderen: bouwen aan weerbaarheid in tijden van verandering
- Van waterverspilling naar waterzekerheid
Energie-onafhankelijkheid als hefboom voor weerbaarheid en transitie
De opeenvolging van crisissen in het afgelopen decennium – van geopolitieke spanningen en handelsoorlogen tot de oorlog in Oekraïne en de daaropvolgende energiecrisis in 2022 – heeft Vlaanderen met de neus op de feiten gedrukt. Energie is geen vanzelfsprekend goed, maar een strategische voorwaarde voor economische stabiliteit en nationale autonomie. Voor een regio als Vlaanderen, met een energie-intensieve industrie, dichte bebouwing en relatief beperkte natuurlijke energiebronnen, is energie-onafhankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde voor toekomstbestendigheid.
“
We zijn in Vlaanderen te afhankelijk van dubieuze regimes als dat van Poetin en Trump. Met één druk op de knop maken zijn onze energiefactuur duurder. Om de energiefactuur van mensen betaalbaar te houden, moeten we hen helpen de overstap te maken van fossiele brandstoffen naar elektriciteit. En hen helpen minder energie te verbruiken door woningen te renoveren en klaar te maken voor de toekomst. Daarom ga ik elektriciteit goedkoper en renoveren betaalbaar maken. Tal van woningen, scholen, bedrijfs- en kantoorgebouwen in Vlaanderen tonen ons dat fossielvrij bouwen en verbouwen mogelijk is. We moeten deze beweging versnellen. Dat is goed voor de koopkracht van mensen, voor het klimaat en voor onze competitiviteit in Vlaanderen.”

Dit betekent niet dat Vlaanderen volledig zelfvoorzienend moet worden, maar wel dat we de structurele kwetsbaarheid van onze bevoorrading, prijzen en infrastructuur drastisch moet verkleinen. Dat begint bij het verminderen van de energievraag via doorgedreven energie-efficiëntie, zowel in bestaande gebouwen als in nieuwe ontwikkelingen. Vlaanderen telt nog altijd meer dan 1,15 miljoen woningen met een EPC-label E of F. De renovatiegraad blijft steken op 1,3% per jaar, terwijl minstens 3,3% nodig is om de 2050-doelstellingen te halen. Enkel door woningen grondig te isoleren, luchtdicht te maken en performante technieken in te zetten, verlagen we structureel de energiebehoefte. Voor nieuwbouw ligt de lat al een stuk hoger: sinds 2021 geldt voor alle nieuwe residentiële gebouwen een Bijna-EnergieNeutraal (BEN)-verplichting, wat in de praktijk overeenkomt met een E-peil van maximum 30. Nieuwbouwprojecten behalen doorgaans EPC-labels A of A+, met doorgedreven isolatie, ventilatiesystemen en hernieuwbare energie als standaard. Bovendien geldt sinds 2025 een algemeen verbod op aardgasaansluitingen bij nieuwbouw. Dit zorgt ervoor dat nieuwe gebouwen in Vlaanderen al structureel bijdragen aan de energietransitie en dat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vermindert. Dit is niet alleen een kwestie van ecologie of comfort, maar ook een strategische investering in de autonomie van burgers en gezinnen.

Naast individuele maatregelen moet ook collectieve energievoorziening een prominente plaats krijgen. Hernieuwbare energieopwekking op wijkniveau, warmtenetten in stedelijke gebieden, gedeelde batterijsystemen en coöperatieve zonnevelden zijn vormen van gedeelde verantwoordelijkheid die schaalvoordelen combineren met lokaal draagvlak. Vlaanderen moet de regelgevende en investeringsdrempels hiervoor verder verlagen. Netverzwaringen, aangepaste distributietarieven en een aangepaste rol voor de netbeheerders zijn daarbij essentieel.

“
Iedereen heeft nood aan voorbeelden die werken. Voor het eerst bieden we in de bestaande bebouwde omgeving het perspectief op een leven zonder fossiele brandstoffen: woningen met meer comfort, lagere energiefacturen en een betere gezondheid voor bewoners. Door koppelkansen te benutten en publieke investeringen slim te bundelen, versterken we zowel de overheidsefficiëntie als het welzijn en de toekomstkansen van bewoners, zeker die in kwetsbare gezinnen. Met onze inclusieve en collectieve missie ‘Fossielvrije Weerbare Wijken’ bouwen we samen aan een Vlaanderen dat minder vatbaar is voor fossiele prijsschokken en geopolitieke spanningen.”

“Weerbare wijken maken comfort bereikbaar en energieprijzen beheersbaar — voor iedereen.”
VITO zet voluit in op het initiatief Fossielvrije Weerbare Wijken, met de ambitie om samen met 100 Vlaamse wijken de bestaande bebouwde omgeving fundamenteel weerbaarder en duurzamer te maken. In dit brede partnerschap met een veelheid aan innovatieve bedrijven, neemt VITO samen met Architecture Workroom Brussels het voortouw. De focus: voorbeelden creëren die werken. Voor het eerst bieden we in bestaande bebouwde wijken het perspectief op leven zonder fossiele brandstoffen— met als resultaat:
- Meer wooncomfort en betere gezondheid
- Lagere energiefacturen en prijsstabiliteit
- Slimme koppeling van investeringen in energie, riolering en klimaatadaptatie
- Brede maatschappelijke baten zoals verhoogd welzijn en betere toekomstkansen voor kinderen
- Onze aanpak richt zich op inclusieve wijktransformaties, zodat álle bewoners de voordelen ervaren van duurzame collectieve oplossingen en minder blootstaan aan fossiele prijsschokken en geopolitieke spanningen.
Concreet: de eerste cases tonen aan dat simultane investeringen — bijvoorbeeld in rioleringswerken en collectieve lage-temperatuurwarmtenetten — tastbare kostenbesparingen en systeemwinst opleveren.
Een tweede cruciale pijler in de energietransitie is elektrificatie. De overgang van fossiele naar elektrische technieken is onvermijdelijk: warmtepompen, elektrische boilers, elektrisch koken en elektrische voertuigen maken vandaag integraal deel uit van elk toekomstgericht ontwerp. Toch blijft elektriciteit in Vlaanderen algemeen tot vier keer duurder dan aardgas, al varieert de prijsverhouding per contract en per profiel. Dat zet een rem op de energietransitie. Embuild Vlaanderen pleit al langer voor een taxshift waarbij elektriciteit goedkoper wordt, onder meer door de energiebijdragen te herschikken. Dit moet gepaard gaan met investeringen in slimme netinfrastructuur, waarbij lokale opslag en vraagsturing volwaardig worden ingezet.
Wat vandaag nog onderbelicht blijft in het publieke debat, is het verband tussen energieonafhankelijkheid en burgerweerbaarheid. Het Crisiscentrum van de federale overheid roept gezinnen op om een noodpakket klaar te houden met voedsel, water, lichtbronnen en batterijen5. Maar enkele fundamentele aspecten van moderne zelfredzaamheid – toegang tot energie (en zuiver water) – ontbreken in die lijst. Elk huishouden moet kunnen beschikken over basisvoorzieningen die onafhankelijkheid mogelijk maken bij tijdelijke netwerkstoringen of energiecrisissen: een goed geïsoleerde woning, zonnepanelen, een batterij, en eventueel een eigen warmtepomp of ventilatiesysteem.
De grootschalige stroompanne van april 2025 in Spanje, waarbij miljoenen burgers plots urenlang zonder elektriciteit vielen als gevolg van een netuitval die ook Portugal en Zuid-Frankrijk trof, toont hoe kwetsbaar moderne samenlevingen zijn voor onverwachte gebeurtenissen. Vlaanderen moet die les ter harte nemen. Energie-onafhankelijkheid moet een vast onderdeel worden van het Vlaamse weerbaarheidsbeleid, met expliciete stimulansen in communicatiecampagnes, premiestructuren en voorbeeldprojecten.
De bouwsector is hier geen toeschouwer, maar een sleutelactor. Aannemers, installateurs, ontwerpers en projectontwikkelaars werken vandaag al aan totaalrenovaties, energie-neutrale nieuwbouw, smart grids en wijkgerichte aanpakken. Toch blijkt uit diverse sectorstudies dat er nog veel potentieel is op vlak van efficiëntie, samenwerking en digitalisering. Dit potentieel moet strategisch geactiveerd worden door in te zetten op collectieve renovatieprojecten, renovatie als dienst (zie kaderstuk), en doorgedreven digitalisering van de energetische planning en uitvoering.

Embuild Vlaanderen lanceerde in het verleden reeds meerdere concrete voorstellen die deze ambities ondersteunen. Zo lanceerden we het voorstel om systematisch het renovatiebudget naast de aankoopprijs te plaatsen in de verkoopadvertentie van een energieverslindende woning. Die maatregel kost de overheid niets maar maakt een wereld van verschil voor de kandidaat-kopers, die goed geïnformeerd deze belangrijke beslissing kunnen nemen. We zijn ook voorstander van renovatiebegeleiding en grootschalige renovatieprojecten waar Vlamingen aan kunnen deelnemen. Er is daarnaast ook een hoge en dringende nood aan een shift waardoor elektriciteit goedkoper wordt en mensen zo de investering van een warmtepomp sneller terugverdienen. Energieonafhankelijkheid moet daarbij worden gezien als meer dan een energie-technisch vraagstuk: het is een hefboom voor betaalbaarheid, voor financiële zekerheid, en voor maatschappelijke weerbaarheid.
Energie mag niet langer beschouwd worden als een anonieme stroom die vanzelfsprekend beschikbaar is. In een wereld van geopolitieke spanningen, schaarste aan materialen en klimaatverandering is energie een collectief goed. Vlaanderen moet keuzes maken die deze logica weerspiegelen. Dat vraagt duidelijke langetermijnvisie, budgettaire prioriteit, en samenwerking tussen overheden, netbeheerders, sector en burgers. De bouwsector is klaar om daar haar rol in op te nemen. Nu is het aan het beleid om het kader te scheppen waarin die rol ook ten volle kan renderen.
“
Het Investeringsplan geeft richting aan ons traject voor de energietransitie en houdt ons scherp. Dankzij steeds betere input van maatschappelijke stakeholders en efficiëntere simulatiemethodes konden we de berekeningen voor deze editie optimaliseren. Dat leidde tot nieuwe inzichten rond zowel de impact van de gezinnen als het bedrijfsleven op het elektriciteitsnet.”


Fluvius investeert in een toekomstgericht energienet als fundament voor duurzame groei
Om de elektrificatie van industrie, mobiliteit en gebouwen te ondersteunen, actualiseert Fluvius zijn Investeringsplan 2026–2035. De focus ligt op de versterking van het middenspanningsnet, essentieel voor de energietransitie in de bedrijfswereld. Tegelijk wordt het laagspanningsnet verder uitgebouwd, met 30.000 kilometer kabels en 18.000 cabines die tegen 2032 versterkt moeten worden.
Naast fysieke infrastructuur zet Fluvius ook sterk in op digitalisering. Het nieuwe Databeheersplan omvat 40 initiatieven en een jaarlijkse investering van 30 miljoen euro. Innovaties zoals kwartierwaarden, tweerichtingscommunicatie met digitale meters en ‘supply split’-technologie maken het energiesysteem slimmer en klantgerichter. Deze digitale toepassingen creëren nieuwe kansen voor bouwbedrijven, installateurs en technologiepartners om actief bij te dragen aan een efficiënter en flexibeler energiesysteem.
De geplande investeringen dragen bij aan een fossielvrije toekomst en versterken de weerbaarheid van Vlaanderen tegen prijsschommelingen. Door nauwe samenwerking met overheden, bedrijven en burgers bouwt Fluvius mee aan een robuust energienet dat de ambities van de Vlaamse bouwsector ondersteunt. Zo ontstaat een solide basis voor duurzame groei, innovatie en economische veerkracht.
Meer info lees je via Investeringsplan 2026-2035 | Fluvius

→ Embuild Vlaanderen en Buildwise zijn partner en actief binnen de Vlaamse speerpuntcluster voor energie Flux 50. Je vindt er een overzicht van innovatieve energieprojecten. Klik hier.

Naar een nieuw tijdperk van renovatie: “Renovation-as-a-Service” (RaaS of renovatie als dienst) als strategische kans voor Vlaanderen
Geïnspireerd door de “as-a-service”-logica uit de digitale wereld, ontstaat stilaan een nieuw model: Renovation-as-a-Service (RaaS). RaaS maakt van renovatie een geïntegreerde, gebruiksvriendelijke en resultaatgerichte dienst die het volledige klanttraject dekt: diagnose, financiering, uitvoering, onderhoud en prestatieopvolging.
Het gaat om een verschuiving van éénmalige werfbenadering naar een lange-termijnrelatie gebaseerd op prestaties. Dit model zorgt voor een betere risicospreiding, vereenvoudigt de klantbeleving en opent de deur naar gestandaardiseerde, geïndustrialiseerde en via “pay-as-you-save”-modellen gefinancierde oplossingen.
In Vlaanderen belichamen initiatieven zoals de Energiehuizen deze one-stop-shop-logica al door burgers te begeleiden in hun renovatietraject. Deze publieke of semi-publieke structuren vormen een waardevolle basis om verder te evolueren naar meer geïntegreerde RaaS-modellen, waarin technische expertise, slimme financiering en energiebeheer samenkomen.
Einde 2025 loopt bv. het FOSSTER-project af, waar de basis is gelegd voor een one-stop-shop model voor verschillende soorten huiseigenaars.
Meer info over dit project vind je hier.
Als het over meergezinswoningen of appartementen gaat, heb je gelijkaardige modellen zoals de Integrated Home Renovation Services ontwikkeld en bestudeerd in het Condoreno-project.
Deze omslag naar geïntegreerde renovatiediensten biedt grote kansen voor Vlaamse kmo’s in de bouwsector:
- Ontwikkeling van nieuwe, op diensten gebaseerde businessmodellen
- Positionering als aanbieder van totaaloplossingen
- Toegang tot nieuwe marktsegmenten (mede-eigendom, overheden, kwetsbare gezinnen)
- Opschaling dankzij digitalisering, data en industrialisatie
Door samen te werken in georganiseerde waardeketens kunnen kmo’s sleutel-op-de-deur-oplossingen aanbieden, bepaalde stappen industrialiseren, digitale tools delen en hun nabijheid met klanten versterken. Zo kunnen zij optimaal inspelen op de diversiteit aan lokale behoeften en tegelijk vernieuwen richting servicegerichte modellen.
Renovation-as-a-Service is veel meer dan een technische evolutie. Het biedt een systemisch antwoord op de uitdagingen van de transitie: het maakt renovatie toegankelijker, stemt economische prikkels af op reële prestaties en verhoogt het aanpassingsvermogen van onze regio’s aan de klimaatuitdagingen van morgen.
Het vormt dan ook een strategisch kompas om de transitie naar een duurzaam, toegankelijk en veerkrachtig gebouwenpark te versnellen — in het belang van burgers, bedrijven en toekomstige generaties.
Circulair bouwen en
materiaalkritieke
onafhankelijkheid
In een wereld waarin de beschikbaarheid van grondstoffen steeds meer onder druk staat door geopolitieke spanningen, economische volatiliteit en ecologische grenzen, wordt het vraagstuk van materiaalgebruik in de bouwsector almaar urgenter. Vlaanderen, dat in hoge mate afhankelijk is van ingevoerde bouwmaterialen, voelt deze druk bijzonder scherp. Schokken in de aanvoerketens sinds de COVID-pandemie en de oorlog in Oekraïne hebben aangetoond hoe kwetsbaar het huidige bouwmodel is. Circulair bouwen biedt hierop een structureel antwoord en moet uitgroeien tot een fundamentele bouwsteen van het weerbaarheidsbeleid.
De Vlaamse bouwsector is goed voor meer dan 30% van de materiaalvoetafdruk in onze regio. Zij verwerkt jaarlijks miljoenen tonnen aan primaire grondstoffen, waaronder cement, staal, baksteen, kunststoffen en isolatiematerialen. Verschillende van deze materialen — denk aan koper, aluminium en zeldzame aardmetalen — zijn niet alleen energie-intensief om te winnen, maar ook gevoelig voor internationale marktprijzen en geopolitieke spanningen. De Europese Commissie heeft met haar “Critical Raw Materials Act” een duidelijke oproep gelanceerd: Europese lidstaten moeten hun afhankelijkheid van externe leveranciers afbouwen door de kringloop te sluiten, hergebruik te stimuleren en strategische voorraden aan te leggen.
Ook Vlaanderen heeft hierin een verantwoordelijkheid te nemen. Wij beschikken over enkele eigen grondstofbronnen die relevant zijn voor de bouwsector, zoals zand en klei. Die kunnen, mits duurzaam beheer, bijdragen aan regionale materiaalstromen en aan de lokale productie van bouwmaterialen. We hebben echter ook de mogelijkheid om extra grondstoffenbronnen te creëren, onder andere door in te zetten op biocirculaire materialen.
Het gebruik van lokale grondstoffen zoals hout, vlas, hennep of stro kan bijdragen aan een verminderde afhankelijkheid van ingevoerde bouwmaterialen en aan de ontwikkeling van een regionale bio-economie. Dit biedt kansen voor Vlaamse landbouwers, producenten en verwerkende industrie om samen te werken aan nieuwe productieketens, met een duidelijke economische én maatschappelijke meerwaarde. Innovatieve toepassingen zoals kalkhennep, myceliumpanelen of CLT-constructies tonen aan dat biogebaseerd en industrieel bouwen hand in hand kunnen gaan. Deze materialen dragen bovendien bij tot koolstofopslag in de gebouwde omgeving, een doelstelling die kan bijdragen tot de klimaatoplossing en die, zoals het kaderstuk verder illustreert, ook tot verregaande innovatie leidt bij het meest gebruikte bouwmateriaal, zijnde beton.

De grootschalige inzet van deze innovatieve materialen vereist duidelijke normen en kwaliteitskaders die innovatie stimuleren en tegelijkertijd prestaties garanderen en voorspelbaar en verzekerbaar maken. Tegelijkertijd moet er, voor men tot grootschalige inzet overgaat, voldoende experimenteerruimte zijn voor de marktpartijen om innovaties te integreren. Het is belangrijk dat de verantwoordelijkheid niet alleen bij de uitvoerende bouwbedrijven ligt. Producenten, ontwerpers, opdrachtgevers én overheden dragen hier een gedeelde verantwoordelijkheid om circulariteit mogelijk en rendabel te maken, en kunnen daarbij ondersteund worden door o.a. kennis- en certificatie-instellingen. De systemische knelpunten voor innovatie overbruggen vraagt ook dat al die partijen samen nadenken over de weg vooruit, zodat een innovatie zich een weg baant van idee tot piloot of demonstratie tot adoptie en brede toepassing.
Een bijkomend potentieel aan grondstoffen en materialen ligt bij recyclage en hergebruik. Wat het steenachtig bouwafval betreft lopen we ver voorop: naar schatting wordt vandaag al meer dan 95% van het vrijkomende steenpuin in Vlaanderen gerecycleerd of hergebruikt. De grote uitdaging situeert zich echter bij het niet-steenachtige afval, zoals kunststoffen, isolatiematerialen, hout en gipsproducten, waar de recyclagegraad aanzienlijk lager ligt en hoogwaardig hergebruik nog in de kinderschoenen staat. De verplichting tot de opmaak van sloopopvolgingsplannen in 2018 voor werven vanaf 1.000 m³ voor niet-residentiële gebouwen, 5.000 m voor residentiële gebouwen en meer dan 250 ton sloopmateriaal bij infrastructuurprojecten was een belangrijke hefboom om de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen zoals asbest, en de recyclage van materialen breder ingang te doen vinden.
Echter: nog steeds wordt slechts een fractie van de afgebroken gebouwen vandaag selectief gesloopt met oog op hoogwaardige materiaalrecuperatie. Te vaak worden waardevolle elementen nog altijd afgevoerd als gemengd afval of laagwaardig gerecycleerd.
Met de inwerkingtreding van Vlarema 9 op 8 april 2024 is in Vlaanderen een verdere stap gezet naar circulair materialenbeheer in de bouwsector. Deze regelgeving legt bij sloop- en renovatiewerken een expliciete verplichting op tot bronsortering van bouw- en sloopafval in vooraf bepaalde fracties, zoals hout, metalen, gips, harde kunststoffen en glas. Het doel is om afvalstromen zuiver te houden en zo de mogelijkheden voor hoogwaardig hergebruik of recyclage aanzienlijk te vergroten.
Toch loopt de toepassing ervan in de praktijk vaak spaak. Aannemers geven aan dat het sorteren op de werf technisch en logistiek uitdagend blijft, zeker bij gemengde of tijdskritische werven (zie verder een kaderstuk of “reverse logistics” of retourlogistiek). Daarnaast blijkt dat het sorteren op zich nog geen garantie biedt op hoogwaardig hergebruik: door de huidige wetgeving wordt het gesorteerde materiaal vaak nog als afval beschouwd, wat hergebruik in de productie van nieuwe materialen bemoeilijkt. Zo ervaren producenten en verwerkende bedrijven moeilijkheden om gerecupereerde materialen uit sloopprojecten opnieuw in hun productieproces op te nemen, tenzij het aan bijzonder strikte voorwaarden voldoet.
Een juridische herwaardering van gesorteerd bouwafval — bijvoorbeeld via een duidelijker statuut als “bijproduct” of via end-of-waste criteria — is daarom cruciaal. Alleen zo kan de vraag naar circulaire materialen op gang komen en wordt het voor bedrijven ook economisch haalbaar om in recyclage en hergebruik te investeren.

Circulair bouwen gaat trouwens veel verder dan hergebruiken of recycleren. In essentie betekent het dat materialen zo lang mogelijk in de kringloop worden gehouden, in een zo hoog mogelijke kwaliteit. Het bouwproces wordt daarbij hertekend van een lineair model – waarbij grondstoffen worden ontgonnen, gebruikt en weggegooid – naar een cyclisch model waarin materialen worden hergebruikt, geprefabriceerd of gerecycleerd. Circulair bouwen impliceert dus een fundamenteel ander ontwerp- en bouwproces, waarbij gebouwen beschouwd worden als tijdelijke verzamelingen van grondstoffen – materiaalbanken voor de toekomst. Dat vraagt om nieuwe ontwerpprincipes zoals design for disassembly, waarbij gebouwen en onderdelen zo worden ontworpen dat ze in de toekomst gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd en opnieuw ingezet. Ook het gebruik van materialenpaspoorten, die de herkomst en eigenschappen van bouwmaterialen documenteren, wordt essentieel. Daarnaast bieden modulaire bouwtechnieken mogelijkheden om infrastructuur aanpasbaar en herconfigureerbaar te maken zonder volledige afbraak. In stedelijke contexten biedt “urban mining” – het herwinnen van materialen uit bestaande gebouwen en infrastructuur – een enorme opportuniteit, zowel ecologisch als economisch.

Circulariteit als hefboom voor een veerkrachtige bouwsector
De Vlaamse bouwsector staat voor een dubbele uitdaging: het verlagen van haar milieu-impact én het verhogen van haar aanpassingsvermogen aan veranderende omstandigheden. Circulariteit en weerbaarheid zijn hierbij geen losstaande begrippen, maar wederzijds versterkende strategieën.
Lineaire processen domineren de bouwactiviteiten van vandaag: ontginnen, produceren, bouwen en slopen. Maar wat als die grondstoffen plots niet meer beschikbaar zijn, of onbetaalbaar worden? Circulariteit vermindert die afhankelijkheid. Door materialen te herwinnen, lokale materialen te gebruiken en gebouwen demonteerbaar te ontwerpen, wordt de sector weerbaarder tegen geopolitieke verstoringen, handelsbeperkingen, pandemieën en prijsschokken.
Een toekomstbestendig bedrijf
Circulariteit gaat niet alleen over duurzaamheid, maar ook over nieuwe verdienmodellen. Het renoveren of herbestemmen van gebouwen in plaats van nieuwbouw, meer aandacht voor onderhoud, gebouwen of componenten ‘as-a-service’, ex situ modules bouwen, industrialisatie, standaardisatie enz. Het zijn allemaal manieren waarop de activiteiten van een bouwbedrijf kunnen worden uitgebreid. Waarom hierop inzetten? Uit een onderzoek van Vlaanderen Circulair blijkt dat circulaire bedrijven minder gevoelig zijn aan crises.
Circulariteit is geen einddoel, maar een strategische benadering die de Vlaamse bouwsector weerbaarder maakt tegen de uitdagingen van morgen. Door circulair te bouwen, bouwen we niet alleen duurzamer, maar ook slimmer en veerkrachtiger.
Meer te weten komen over hoe u circulariteit kan integreren in uw bouwprocessen? Klik hier.
Zoals in het bovenstaand kaderstuk aangegeven, zijn er ook opportuniteiten om nieuwe businessmodellen te ontwikkelen met voordelen voor de waardeketen in de bouw. In het huidige bouwmodel loont het vaak nog te weinig om materialen terug te winnen, op te slaan of opnieuw te integreren. Alternatieve modellen zoals “bouw als dienst”, “materialenleasing” en circulaire platformen verdienen juridische en financiële ondersteuning. Digitale tools zoals BIM (Building Information Modelling) kunnen daarbij helpen om materialenstromen in kaart te brengen en waarde te behouden doorheen de hele levenscyclus van een gebouw.
Voor de bouwsector zelf betekent dit ook een leertraject. Architecten moeten anders ontwerpen, aannemers anders plannen en uitvoeren, en sloopbedrijven moeten omschakelen naar selectieve demontage. Dat vereist opleiding, samenwerking en risicodeling. Ondersteuning van vorming, voorbeeldprojecten en samenwerking met kennisinstellingen is daarbij cruciaal. Binnen ‘Vlaanderen Circulair’ zet Embuild Vlaanderen zijn schouders onder die transitie richting circulair bouwen. En samen met Buildwise wordt er bijgedragen aan meerdere Living Labs Circulaire Economie, bijv. deze rond Circulaire Sloopteams en Circulair Beton Publieke overheden spelen een cruciale rol in het versnellen van de transitie naar circulair bouwen. Als grootste opdrachtgever in de bouwsector – verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de totale bouwopdrachten in België – beschikken zij over een aanzienlijke marktmacht. Door deze kracht bewust in te zetten, kunnen zij schaal creëren voor circulaire bouwmethodes, wat op zijn beurt helpt om de kosten te reduceren en innovatieve oplossingen rendabel te maken. Een belangrijke hefboom hiervoor is de opname van duidelijke hergebruikquota in overheidsopdrachten. Door het opleggen van minimumpercentages aan circulair materiaalgebruik bij publieke aanbestedingen, kan vraag gecreëerd worden naar gerecupereerde en gerecycleerde bouwmaterialen, waardoor ook de hele toeleveringsketen geactiveerd wordt.
Circulair bouwen is dus geen louter ecologisch verhaal, maar vooral een strategische benadering voor een veerkrachtiger economie. Het vermindert de afhankelijkheid van schaarse en ingevoerde grondstoffen, dempt de impact van prijsschommelingen, verlaagt de materiaal- en energievoetafdruk van gebouwen, en stimuleert lokale bedrijvigheid. Tegelijk biedt het nieuwe economische kansen door het ontstaan van niches in ontmanteling, materiaalverwerking, herfabricatie en design.
Vlaanderen heeft in het verleden zijn voortrekkersrol bewezen op vlak van selectieve afvalophaling en recyclage. Diezelfde ambitie moet nu richting circulair bouwen worden georiënteerd. Dit vraagt om doortastend beleid, geïntegreerde strategieën en vooral een langetermijnvisie waarin circulariteit geen uitzondering meer is, maar het nieuwe normaal.
Enkele projecten waarin circulaire concepten werden toegepast en die ook tot de verbeelding spreken:
- De nieuwe vleugel van het Design Museum in Gent: BC materials ontwikkelt voor de façade een circulaire gevelsteen op basis van kalk en gebroken glas en beton afkomstig uit Gents bouwafval. De steen wordt niet gebakken maar geperst en heeft ook daardoor een lagere koolstofvoetafdruk dan nieuwe gevelstenen. Ruwbouw nieuwe circulaire vleugel Design Museum Gent voltooid, Vers geperst in Gent: 82.000 gevelstenen voor de nieuwe vleugel van het Design Museum klaar | VRT NWS: nieuws
- Cocon in Sint-Niklaas, waar er aan doorgedreven hergebruik van bouwmaterialen werd gedaan: Nieuwe circulaire hotspot opent de deuren in Sint-Niklaas: “Lokale bedrijven helpen verduurzamen” | VRT NWS: nieuws, Circulariteit centraal bij realisatie Cocon
- Be Factory in Ronse: toepassing van biogebaseerde materialen en hergebruik van materialen: Het Wagenhuys in Ronse ‘biocirculair’ gerenoveerd, Be Factory brengt de natuur en de mens terug bijeen | VIBE, ontwerpen en bouwen met een positieve impact
- De samenwerking tussen sloopaannemer De Meuter en Akoestiekfabriek: alle gedemonteerde plafondpanelen worden omgevormd tot akoestische panelen: Akoestiekfabriek en De Meuter vinden elkaar. We hebben ook in het LL Circulaire Sloopteams met Akoestiekfabriek gewerkt om de plafondpanelen te recupereren en er een filmpje van gemaakt. Circulaire sloopteams (Living Lab) on Vimeo

Koolstof vastleggen in beton: van concept naar klimaatoplossing?
De betonsector staat voor een dubbele uitdaging waarbij niet alleen de CO₂-uitstoot drastisch omlaag moet, maar ook het materiaal zelf een actieve rol moet gaan spelen in het capteren en vastleggen van CO₂. Vandaag bestaan er al meerdere sporen om CO₂ in beton vast te leggen elk met hun eigen technische maturiteit, schaalbaarheid en toepassingsdomein.
Een eerste mogelijke strategie is het injecteren van CO₂ in de verse betonspecie zoals toegepast in het CarbonCure-proces. De CO₂ reageert met calciumrijke componenten tot stabiele carbonaten. Dit kan leiden tot een permanente CO₂-opslag maar kan ook bijdragen aan de sterkte en verdichtingsgraad van beton. Een tweede piste is het vooraf carbonateren van gerecycleerde granulaten. Deze aanpak verhoogt niet alleen de materiaalkwaliteit maar slaat ook CO₂ op tijdens het recyclageproces.
Ook het gebruik van ‘carbon sequestering materials’ in beton wint aan terrein. Bijvoorbeeld biochar, dat een residu is van de pyrolyse van biomassa, kan in beton functioneren als toevoegsel. Biochar kan bijdragen aan negatieve emissies als het correct wordt geïntegreerd en langjarig gebonden blijft. Een interessante doorontwikkeling van biochar is de productie van lichte aggregaten met hoog koolstofgehalte waarmee recent in Zwitserland net-zero betontoepassingen gerealiseerd werden met een negatieve CO₂-balans tot −1 kg CO₂ per m³ beton aan een meerkost van slechts 1,5% (1).
Mineralisatie via carbonatatie van industriële restfracties, zoals o.a. in de Carbstone-technologie, biedt ook een cementloos alternatief met bindende eigenschappen. Deze al industrieel gevalideerd technologie maakt het mogelijk om CO₂ chemisch vast te leggen in prefab-elementen op basis van restmaterialen uit de staal- of afvalverwerking.
Dat deze concepten niet enkel theoretisch blijven, blijkt uit het Living Lab Circulair Beton. In 2024 werd daar, onder coördinatie van Colruyt, Buildwise en VITO, voor het eerst innovatief beton toegepast met gecarbonateerde gerecycleerde granulaten en een uitzonderlijk hoog recyclagegehalte in funderingspalen en funderingsplaat van een nieuwe Colruyt-winkel in Temse. Ook werden hier stapelblokken met de Carbstone-technologie gebruikt.
De wereldwijde betonproductie bedraagt zo’n 35 miljard ton per jaar. Zelfs met een bescheiden koolstofinhoud biedt dat ruimte voor grootschalige CO₂-vastlegging. Om dat potentieel te benutten zijn verdere validatie, opschaling, regelgeving en economische stimulansen nodig. Buildwise volgt deze ontwikkelingen actief op van experiment tot valideringskader zodat beton ook concreet kan bijdragen aan het verlagen van de CO2-voetafdruk.
Investeren in defensie
en versterking van
strategische
infrastructuur
De oorlog in Oekraïne en de wereldwijde geopolitieke spanningen hebben het Europese veiligheidslandschap fundamenteel gewijzigd. In dit nieuwe tijdsgewricht is investeren in defensie geen louter militaire opdracht meer, maar een strategische noodzaak die raakt aan vrijwel elk beleidsdomein. Voor Vlaanderen en België betekent dit niet alleen een verhoogde budgettaire inzet, maar ook het systematisch integreren van veiligheid en weerbaarheid in ruimtelijke planning, infrastructuurontwikkeling en industriële en bouwinnovatie.
Een verhoogde militaire inzet in Europa en België
Tijdens de NAVO-top in Den Haag op 24 en 25 juni 2025 hebben de lidstaten een nieuwe richtlijn goedgekeurd waarbij elke NAVO-lidstaat 5% van zijn bbp moet besteden aan defensie. Die norm bestaat uit 3,5% voor kernuitgaven aan defensie en 1,5% voor investeringen in infrastructuur, cyberveiligheid en civiele paraatheid. Voor België betekent dit een buitengewone budgettaire uitdaging, aangezien het land in 2023 nog maar 1,1% van zijn bbp aan defensie besteedde. Ondanks de terughoudendheid binnen de federale regering, heeft België zich geëngageerd om deze NAVO-beslissing loyaal uit te voeren, in het besef dat geloofwaardigheid binnen de alliantie cruciaal is voor de collectieve veiligheid.
Het Vlaamse Defensieplan, goedgekeurd in april 2025, sluit aan bij deze nieuwe NAVO-richtlijnen door te investeren in dual-use infrastructuur, ondersteuning van de lokale defensiegerelateerde industrie en samenwerking met Europese projecten zoals Military Mobility. Maar het plan markeert slechts een beginpunt. De noden zijn groot, en de bijdrage die Vlaanderen de komende jaren kan en moet leveren aan de collectieve Europese veiligheid is daarmee verre van af. Meer dan ooit vraagt dit om een coherente strategie over beleidsdomeinen heen: van ruimtelijke ordening tot mobiliteit, en van industriebeleid tot bouwplanning.
Strategische infrastructuur als randvoorwaarde
In moderne conflicten is mobiliteit van troepen, materieel en noodhulp essentieel. Bruggen, wegen, spoorlijnen, luchthavens en logistieke knooppunten moeten niet alleen functioneel zijn voor burgergebruik, maar ook inzetbaar zijn in crisissituaties. Europese initiatieven zoals het “Action Plan on Military Mobility 2.0” benadrukken het belang van infrastructuur die voldoet aan militaire normen (breedte, draagkracht, toegankelijkheid).

Vlaanderen vormt hierin een cruciale draaischijf. De haven van Antwerpen is een van de belangrijkste logistieke hubs voor de NAVO in West-Europa en fungeert als primaire aanvoerplaats voor militair materieel vanuit bondgenoten. Om de lange grens van de NAVO-landen met Rusland voldoende te beschermen bij dreiging, dient het mogelijk te zijn om binnen de tien dagen 100.000 troepen te verplaatsen. De volledige grens met Rusland beveiligen, vergt 50 tot 100 brigades. Een brigade bestaat uit ongeveer 3.000 tot 5.000 soldaten. (Dual Use and Military Mobility Seminar Report: Fast-tracking Military Mobility, Simon Van Hoeymissen, onderzoeker aan Centre for Security and Defence Studies (CSDS), e-Note 57 Royal Higher Institute for Defence, 26 April 2024). Via Vlaanderen loopt de route naar Oost-Europa. Maar deze strategische positie brengt ook kwetsbaarheden met zich mee. Bruggen, tunnels en wegen zijn niet altijd berekend op het gewicht, de hoogte en de intensiteit van militaire colonnes.
Het Vlaamse Defensieplan identificeert hiervoor de ontwikkeling van de zogenaamde Waaslandcorridor, een traject via de R2, R1, A12 en E313 met drie cruciale tunnels: de Beverentunnel, de Liefkenshoektunnel en de Tijsmanstunnel. Deze verbinding is essentieel voor een efficiënte verplaatsing van troepen en materieel vanuit de haven van Antwerpen richting Duitsland en het oosten. Volgens het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer uit 2025 voldoen deze infrastructuurelementen momenteel niet aan alle eisen voor zwaar militair transport. Er zijn beperkingen in draagkracht, hoogte en breedte, vooral in tunnels en op bruggen, waardoor sommige voertuigen niet of slechts met omwegen kunnen passeren. Daarnaast ontbreekt het vaak aan voldoende beveiliging tegen sabotage of hybride dreigingen. Gerichte investeringen in versterking, bewaking en redundantie zijn daarom noodzakelijk om deze corridor operationeel betrouwbaar te maken, ook in crisistijd.
Ook spoorinfrastructuur komt in beeld. De heractivering van de IJzeren Rijn, de historische spoorverbinding tussen Antwerpen en het Duitse Ruhrgebied via Nederland, wordt strategisch herbekeken. De Europese Rekenkamer bevestigt dat spoorwegen een essentieel alternatief vormen voor wegtransport, en dat 70% van de militaire mobiliteitsfinanciering in de EU naar spoor- en wegprojecten is gegaan. Een functionele IJzeren Rijn zou niet alleen de transportcapaciteit vergroten, maar ook de veerkracht van het logistieke netwerk versterken en de druk op de wegverbindingen verlichten.

Daarnaast is de bescherming van de haven van Antwerpen een prioriteit. Petrochemische installaties, sluizencomplexen, containerterminals en digitale infrastructuur vormen kritieke knooppunten die potentieel doelwit zijn van sabotage of cyberaanvallen. De haven van Antwerpen is volgens de Europese Rekenkamer een primair logistiek knooppunt voor de NAVO. Daarom is er nood aan versterkte bewaking, meervoudig beveiligde (of ‘redundante’) netwerken en een nauwe samenwerking tussen Vlaamse, federale en militaire veiligheidsdiensten. Met ‘redundant’ bedoelen we dat er altijd een tweede route, voorziening of systeem beschikbaar is wanneer het primaire systeem uitvalt. Dat kan gaan om alternatieve stroomlijnen, noodverbindingen of dubbele communicatiesystemen die blijven functioneren bij sabotage of overbelasting. Vlaanderen moet daarvoor investeren in beveiligingsinfrastructuur, crisisbeheermechanismen en technologische weerbaarheid, in afstemming met het federale niveau en Europese partners.


De rol van de bouwsector
De bouwsector wordt in deze context een structurele partner in de veiligheidscurve. Het gaat niet enkel om de uitvoering van bouwwerken, maar om het mee vormgeven van infrastructuur die robuust, meervoudig beveiligd (redundant) en crisisbestendig is. Dat vraagt een aanpassing in ontwerpstandaarden, een betere integratie van veiligheidsvereisten in overheidsopdrachten, en samenwerking met defensie-experts en ingenieurs. Ook prefab en modulair bouwen, zoals bij crisisinfrastructuur, kan hier een rol spelen.
Binnen het voorziene defensiebudget zal een aanzienlijk deel van de 3,5% voor kernuitgaven naar infrastructuurwerken gaan, waaronder de bouw van nieuwe kazernes, trainingscentra, logistieke hubs, versterkte opslagplaatsen en communicatieposten. Deze werken zullen deels plaatsvinden in Vlaanderen, wat de bouwsector directe kansen biedt. De federale overheid plant onder meer de herwaardering van bestaande militaire domeinen en het realiseren van strategische clusters in de nabijheid van cruciale verkeersassen en economische knooppunten.
“
Voor een rol als logistieke militaire hub is België nog niet helemaal klaar. Al wordt daar hard aan gewerkt. Onder leiding van Defensie worden plannen uitgewerkt waar naast Defensie en andere overheidsdiensten ook de deelstaten, de NMBS, de havens van Antwerpen en Zeebrugge en privébedrijven nauw bij betrokken zijn. Voor de vlotte en veilige ontvangst en doorvoer van troepen en materieel zijn de havens van essentieel belang. Bovendien loopt er vanuit onze havens een strategische corridor via Luik naar de Duitse grens. Om militaire transporten op die corridor vlotter te laten verlopen moet onder andere bepaalde transportinfrastructuur opgewaardeerd worden om het zware gewicht en de afmetingen van gepantserde voertuigen aan te kunnen. Deze investeringen kunnen beantwoorden aan de vereiste die de NAVO stelt om naast het defensiebudget ook 1.5% van het BNP uit te geven aan capaciteiten die de strijdkrachten ondersteunen”

Bedrijven binnen de Vlaamse bouwsector kunnen hun competenties inzetten in het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van militaire of dual-use infrastructuur. Tegelijk ontstaat er een nieuwe markt voor innovaties op het kruispunt van bouwtechniek, veiligheid en mobiliteit. Denk aan antiramvoorzieningen, versterkte ondergrondse structuren, of infrastructuur die bestand is tegen cyber- of elektromagnetische aanvallen. Betrekken van private investeerders en particulieren.
Veiligheid is niet louter een opdracht van de overheid. Ook bedrijven en burgers kunnen bijdragen aan fysieke weerbaarheid. In Duitsland en Polen worden sinds kort bij nieuwe woningen weer ondergrondse schuilkelders gebouwd. Zonder deze maatregel letterlijk te kopiëren, moeten we in Vlaanderen het debat aangaan over hoe ook particuliere woningen en bedrijfssites beter bestand kunnen worden tegen grootschalige verstoringen: of het nu gaat om bescherming tegen aanvallen, langdurige stroomuitval of evacuaties.
Dat betekent niet dat elke woning een bunker moet worden, maar wel dat men moet nadenken over het spreiden van risico’s, het voorzien van autonome energievoorziening, en de integratie van veilige zones in gebouwen. Voor bedrijven kan dat ook betekenen: het beveiligen van IT-infrastructuur, het bouwen van redundante systemen, en het investeren in robuuste opslag en communicatie.
Conclusie
De versterking van onze defensiecapaciteit is niet langer een louter militaire kwestie. Het raakt aan infrastructuur, economie, leefomgeving en technologie. Vlaanderen heeft met zijn kennis, logistieke positie en industriële slagkracht alle troeven in handen om een voortrekkersrol op te nemen. Maar dat vergt investeringen, samenwerking en vooral: een andere manier van kijken naar infrastructuur en veiligheid. De bouwsector moet klaar zijn om die rol op te nemen, zowel in de publieke als de private ruimte. Alleen zo bouwen we aan weerbaarheid in een wereld die niet langer vanzelfsprekend stabiel is.
Capaciteit opbouwen
voor snelle crisis-
infrastructuur
De recente crisissen hebben getoond dat Europa en Vlaanderen niet alleen weerbaarder moeten worden op het vlak van energie, defensie en maatschappelijke stabiliteit, maar ook voorbereid moeten zijn op acute humanitaire en logistieke noodsituaties. De opvang van Oekraïense vluchtelingen in 20226, en de grootschalige evacuaties na overstromingen zoals in de Vesdervallei (2021), illustreren hoe duizenden mensen snel nood kunnen hebben aan een tijdelijk onderkomen, basisvoorzieningen en medische infrastructuur. In zulke contexten is het kunnen inzetten van snelle, schaalbare en aanpasbare infrastructuur van vitaal belang.
Waarom snelle crisisinfrastructuur een strategische noodzaak is
De oorlog in Oekraïne heeft niet alleen geleid tot migratiestromen, maar ook tot de vaststelling dat kritieke infrastructuur – energievoorziening, waterdistributie, transport – op elk moment onder druk kan komen te staan. Tegelijkertijd groeit het risico op plotse crisissituaties waarvoor grootschalige evacuatie of tijdelijke opvang vereist is. De Nationale Risicobeoordeling (BNRA) van het Crisiscentrum waarschuwt expliciet voor stroomuitval, grootschalige schade aan infrastructuur en verstoringen van essentiële diensten als zeer waarschijnlijke risico’s.
Dat maakt het essentieel om voorbereid te zijn met een infrastructuurreserve die snel gemobiliseerd kan worden bij dergelijke crisissen. De ontwikkeling van modulaire, verplaatsbare en aanpasbare bouwsystemen — zoals nooddorpen, veldhospitalen of tijdelijke opvangstructuren — moet dan ook integraal deel uitmaken van het Vlaamse weerbaarheidsbeleid.
De rol van de bouwsector in een crisisresponsmodel
De Vlaamse bouwsector beschikt over het technisch vermogen en de logistieke capaciteit om modulaire infrastructuur snel uit te rollen. Verschillende bedrijven zijn al actief in industrieel bouwen of modulaire systemen voor scholen, zorginstellingen of tijdelijke woonoplossingen. Dit potentieel moet nu strategisch worden ingezet in functie van crisisinfrastructuur.

Er is nood aan een systematische oefening waarbij standaardmodellen voor nooddorpen worden ontwikkeld. Die modellen moeten aanpasbaar zijn aan het type crisis — of het nu gaat om een natuurramp, een oorlogssituatie of een pandemie. Tegelijk moeten logistieke draaiboeken beschikbaar zijn die beschrijven hoe snel en efficiënt zulke infrastructuur geplaatst kan worden, inclusief de noodzakelijke nutsaansluitingen en inrichting. Om vertraging te vermijden, moeten er op voorhand duidelijke overheidsopdrachten geformuleerd worden met heldere technische specificaties. Tot slot is het ook nodig om opslag- en productiecapaciteit te voorzien in samenwerking met de industrie en de bouwsector, zodat cruciale componenten beschikbaar zijn op het moment dat de nood zich stelt.
Een gedeelde verantwoordelijkheid
De ontwikkeling van crisisinfrastructuurcapaciteit is geen exclusieve opdracht voor de overheid. Bouwbedrijven, producenten van modulaire systemen, ontwikkelaars van infrastructuurcomponenten en logistieke spelers moeten als partners betrokken worden in een structurele samenwerking. Vlaanderen beschikt over een rijk ecosysteem van bedrijven en toeleveranciers in de bouwsector, maar ook over expertise in projectbeheer, mobiliteit en digitalisering — allemaal cruciale elementen bij grootschalige en snelle uitrol van tijdelijke infrastructuur.
Ook steden en gemeenten kunnen hierin een voortrekkersrol spelen, door strategische gronden te identificeren die in crisistijden tijdelijk kunnen worden ingezet voor opvang of infrastructuur. In sommige gevallen kan dit samengaan met bestaande noodplannen, bijvoorbeeld voor evacuatie bij overstromingen.
Van ad-hoc naar structureel beleid
Om van crisisinfrastructuur een strategische pijler van het Vlaamse beleid te maken, moet het kader duidelijk zijn. Crisisinfrastructuur moet systematisch worden opgenomen als thema binnen de beleidsdomeinen mobiliteit, veiligheid en ruimtelijke planning. Vlaanderen kan leren van internationale goede praktijken en samenwerken met Europese initiatieven zoals het Civil Protection Mechanism en NAVO-structuren. Ten slotte is er nood aan een publiek-private taskforce onder leiding van de Vlaamse overheid, met betrokkenheid van onder andere Embuild Vlaanderen, om scenario’s, standaardisatie en logistieke processen op te stellen en te testen.
Conclusie
Snelle crisisinfrastructuur is een noodzaak in een tijdperk van multipolaire instabiliteit en structurele onzekerheden. De bouwsector kan en moet hierin een centrale rol spelen, zowel als uitvoerder als innovator. Door vandaag te investeren in capaciteit, kennis en partnerschappen, kan Vlaanderen de volgende crisis niet alleen doorstaan, maar ook exemplarisch beheren. Dat is de kern van weerbaarheid in de praktijk.

Klimaatadaptatie in
Vlaanderen: bouwen aan
weerbaarheid in tijden
van verandering
De gevolgen van de klimaatverandering laten zich almaar nadrukkelijker voelen in Vlaanderen. Volgens het KMI is de gemiddelde jaartemperatuur sinds het begin van de twintigste eeuw met bijna 2°C gestegen. De zomermaanden worden droger, terwijl er in de herfst en winter meer neerslag valt. Tegelijk neemt de intensiteit van regenbuien toe, waardoor de kans op plotse wateroverlast en overstromingen stijgt. De waterramp in de Vesdervallei in 2021 veroorzaakte in België alleen al een geschatte schade van 2,9 miljard euro en eiste het leven van 39 mensen. In totaal vielen er in België en Duitsland samen bijna 230 dodelijke slachtoffers en liep de schade op tot ruim 44 miljard euro. Volgens een simulatie in opdracht van de Vlaamse overheid zou een gelijkaardige ‘waterbom’ in Vlaanderen zelfs tot 8,1 miljard euro schade kunnen veroorzaken, met meer dan 86.000 getroffen woningen.
Ook internationaal stapelen de gevolgen zich op, er werd eerder al naar verwezen. In het Zuid-Oost Spanje leidde een overstromingsramp in 2024 tot een hulppakket van 10,6 miljard euro voor herstel en vielen minstens 28 doden. Storm Boris veroorzaakte in Centraal- en Oost-Europa meer dan 4,2 miljard euro aan schade en kostte het leven aan meer dan 70 mensen. Deze rampen tonen hoe ontwrichtend zulke fenomenen kunnen zijn.
Niet alleen extreme neerslag, maar ook droogte brengt zware gevolgen met zich mee. Vlaanderen wordt sinds enkele jaren geconfronteerd met opeenvolgende periodes van droogte en waterschaarste. Die droogte treft in de eerste plaats de landbouw, waar mislukte oogsten leiden tot inkomensverlies en prijsstijgingen. Maar ook andere sectoren lijden economische schade. Wanneer het waterpeil in kanalen zoals het Albertkanaal of het Kanaal Gent-Terneuzen te laag staat, wordt de binnenvaart bemoeilijkt, met gevolgen voor de bevoorrading van bedrijven en de uitstoot van extra vrachtverkeer over de weg. In de bouwsector en bij particuliere woningen leidt droogte bovendien tot structurele schade aan gebouwen door bodemdaling en zettingsproblemen. Uit ramingen van de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt dat de economische schade door droogte in Vlaanderen jaarlijks in de honderden miljoenen euro’s kan lopen, met uitschieters boven het miljard bij extreme situaties zoals in 2020. De klimaatverandering is niet alleen een ecologische of humanitaire kwestie, maar een structurele bedreiging voor onze infrastructuur, volksgezondheid, economische activiteit en sociale stabiliteit. Ze fungeert als een ‘risicomultiplicator’ die bestaande kwetsbaarheden verergert. Waar geopolitieke spanningen op termijn kunnen worden opgelost via diplomatie of strategische keuzes, geldt voor het klimaat: je kan er niet mee onderhandelen.
Zo kunnen hittegolven in Europese steden leiden tot ernstige gezondheidsproblemen bij de bevolking en zelfs levens kosten. Wetenschappers van het Grantham Institute hebben vastgesteld dat de hittegolf eind juni 2025 in 12 grote Europese steden het leven heeft gekost aan 2.300 mensen. De hoogste toename aan overlijdens door extreme hitte deed zich voor in Bologna en Milaan, maar ook Parijs, Rome en Amsterdam doen het slecht. In België blijkt Brussel de stad waar het risico op overlijden door hitte het meest toeneemt. Naast de bevolkingssamenstelling wordt ook gekeken naar het stedelijke hitte-eilandeffect waarbij verharding tot hogere temperaturen leidt.

Groenblauwe infrastructuur als eerste verdedigingslijn
Groenblauwe infrastructuur vormt een essentiële schakel in het klimaatadaptatiebeleid. Door de slimme combinatie van waterbeheer en groenvoorzieningen verhoogt ze de natuurlijke sponswerking van het landschap en helpt ze zowel bij het opvangen van piekneerslag als bij het bufferen van water voor droge periodes. Het aanleggen van wadi’s, groendaken, infiltratiezones, open grachten, parkgebieden met natuurlijke waterlopen en bufferbekkens zijn bewezen technieken die zowel voor de publieke ruimte als op private percelen effectief zijn. Een brede waaier aan gerealiseerde projecten vind je hier.

Uit analyses van de VMM en het Departement Omgeving blijkt dat bepaalde stroomgebieden en regio’s bijzonder kwetsbaar zijn voor wateroverlast of droogte. Het Denderbekken is daarvan het meest bekende voorbeeld: het kent een lange geschiedenis van overstromingen, mede door de beperkte buffercapaciteit en de hoge verhardingsgraad in de omliggende steden zoals Aalst, Ninove en Geraardsbergen. Sinds 2022 wordt er daar gewerkt aan het Denderbekkenprogramma, met geplande ingrepen zoals ontharding, aanleg van gecontroleerde overstromingsgebieden, en de heraanleg van oeverzones met natuurlijke vegetatie. Deze aanpak dient als voorbeeld voor andere kwetsbare bekkens zoals het Demerbekken (Landen – Diest – Aarschot), het Netebekken en delen van de Leie.
Daarnaast staat ook de kustregio onder druk door de stijgende zeespiegel. Volgens de projecties van het KMI stijgt het zeeniveau tegen het einde van de eeuw met minstens 80 cm, en mogelijk meer bij versnelde ijskapafsmelting. Dit vormt een ernstige bedreiging voor laaggelegen gebieden zoals de polders van West-Vlaanderen. Het Sigmaplan voorziet in dijkversterking en getijdennatuur om de kust te beschermen, maar extra investeringen zijn nodig in stormvloedkering, gecontroleerde overstromingszones en waterdoorlatende infrastructuur in de hinterlanden. De Scheldemonding en de Antwerpse haven zijn eveneens strategisch kwetsbare zones: bij overstromingen in combinatie met springtij en hevige regenval lopen duizenden hectaren industriegebied en woonwijken risico.
Ook in Limburg, de Kempen en de Vlaamse Ardennen is het bufferen van water cruciaal, vooral in de strijd tegen droogte. Daar liggen belangrijke wingebieden voor drinkwater, landbouw en industrie. De aanleg van waterbufferzones, infiltratiebekkens en herwonnen moerassige gebieden (natuurinclusieve sponsgebieden) is er een prioriteit.
Deze geografisch gedifferentieerde aanpak vereist een bovenlokale planning, die gevoed wordt door risicoanalyses, bodemstudies en hydrologische modellen. Lokale besturen kunnen zo hun vergunningen- en investeringsbeleid afstemmen op risicozones, in samenwerking met VMM, ANB en de Vlaamse Milieumaatschappij.
Ruimtelijke ordening en vergunningenbeleid als hefboom
Klimaatadaptatie vereist ook een meer strategische benadering van ruimtelijke ordening. Volgens sommigen mogen nieuwe bouwprojecten niet gesitueerd worden in gebieden met een hoog overstromingsrisico. Toch is dat in de praktijk niet altijd evident. Stedelijke kernen hebben vaak een verhoogde watergevoeligheid door verharding, maar net daar is extra verdichting gewenst in het kader van de bouwshift. De oplossing ligt in integrale benaderingen waarbij bouwprojecten bijdragen tot het verminderen van risico’s: door ontharding, waterdoorlatende verharding, plaatsen van regenwaterputten, groendaken en -gevels integratie van wadi’s en groenzones, kan de impact op de omgeving positief zijn. De bouwsector levert via blauw-groene ingrepen in ontwerp en uitvoering een cruciale bijdrage.


De rol van de bouwsector in het weerbaar maken van gebouwen tegen overstromingen
Hoewel collectieve maatregelen zoals dijken, bufferbekkens en gecontroleerde overstromingsgebieden essentieel blijven, bieden ze geen sluitende bescherming voor alle gebouwen. In een dichtbevolkt land als België is het simpelweg onmogelijk om elk gebouw via zulke grootschalige ingrepen te beschermen. De ruimtelijke beperkingen, de hoge bebouwingsgraad en de toenemende druk op de beschikbare ruimte maken dat collectieve oplossingen hun limieten bereiken. Daarom is het noodzakelijk om ook in te zetten op maatregelen op het niveau van het individuele gebouw. Hier ligt een belangrijke verantwoordelijkheid én opportuniteit voor de bouwsector. Bouwbedrijven spelen een sleutelrol in het weerbaar maken van onze gebouwen, zowel bij nieuwbouw als bij renovatie.
Voor nieuwbouwprojecten in overstromingsgevoelige zones bestaan er duidelijke ontwerpprincipes. Het basisidee is eenvoudig: het vloerniveau moet hoger liggen dan het verwachte waterniveau. Dit kan gerealiseerd worden door te bouwen op kolommen, een overstroombare kruipkelder te voorzien of het gebouw op een verhoogde sokkel te plaatsen. Deze oplossingen zijn technisch haalbaar en kunnen esthetisch geïntegreerd worden in het ontwerp. Uiteraard zijn er bij elk gekozen oplossing ook specifieke aandachtspunten waarmee rekening moet worden gehouden door het bouwbedrijf, zoals het risico op opstijgend vocht, de structurele stabiliteit van het gebouw, de nood aan extra isolatie van nutsleidingen en vloerplaat enz.
De grootste uitdaging ligt echter bij het aanpassen van bestaande gebouwen. Hier komt de expertise en het vakmanschap van de aannemer ten volle tot zijn recht. Het proces begint met een grondige analyse van het gebouw: waar zitten de zwakke plekken, welke materialen zijn gebruikt, en welke schade is er eventueel al aanwezig? Op basis daarvan wordt een oplossing op maat uitgewerkt, afgestemd op de noden van de bewoners, de technische mogelijkheden van het gebouw en het beschikbare budget. De uitvoering vereist vakmanschap, met bijzondere aandacht voor de detaillering en de aansluitingen tussen systemen.
De markt biedt vandaag al een breed scala aan innovatieve oplossingen die bouwbedrijven kunnen inzetten: van waterdichte deuren en poorten tot autonome barrières die automatisch opkomen bij stijgend water. Ook systemen die pneumatisch of elektrisch worden aangedreven en zichzelf activeren bij detectie van water zijn beschikbaar. Deze technologieën maken het mogelijk om woningen te beschermen zonder dat bewoners zelf moeten ingrijpen op het moment van een overstroming.
Het is essentieel dat bouwbedrijven hun rol opnemen als kennisdrager, uitvoerder en adviseur. Door bewoners correct te informeren, hen te begeleiden in een stapsgewijze aanpak en kwalitatieve oplossingen aan te bieden, kunnen zij het verschil maken. De bouwsector is dan ook een onmisbare partner in de transitie naar een klimaatbestendige en veilige leefomgeving – voor, tijdens en na een overstroming.
Klimaatdaken: publieke gebouwen als hefboom
Een bijzonder waardevolle ingreep is de toepassing van zogenaamde klimaatdaken: multifunctionele dakoppervlakken die tegelijk inzetten op regenwaterbuffering, verkoeling, vergroening en hernieuwbare energieproductie. In ons land hebben Embuild Vlaanderen en Buildwise samen dit concept gelanceerd. Klimaatdaken zijn toepasbaar op nieuwe en bestaande gebouwen, en kunnen zowel op overheidsgebouwen als op private complexen (zoals ziekenhuizen, scholen, bedrijfs- en appartementsgebouwen) een belangrijke impact hebben. Voor publieke gebouwen is het potentieel bijzonder groot: zij kunnen fungeren als voorbeeld, schaalvoordeel creëren en de markt aanwakkeren. De overheid kan via eigen investeringen, aanbestedingsvoorwaarden en normering de doorbraak van klimaatdaken versnellen.

Financiële sector als hefboom: verzekeraars en banken
Klimaatadaptatie vereist ook een proactieve houding van de financiële sector. Verzekeraars zouden preventieve investeringen in adaptatie sterker kunnen ondersteunen. Wie zijn woning aanpast om waterschade te vermijden – bijvoorbeeld door het verhogen van de drempel, installatie van terugslagkleppen, of aanleg van een groendak, groengevel of groene tuin – zou hiervoor een premie of korting op zijn verzekeringsbijdrage moeten ontvangen. Op termijn kan dat leiden tot lagere schadeclaims en een meer weerbare woningvoorraad. Als eerste stap heeft Assuralia, samen met Embuild Vlaanderen, eerder dit jaar de ‘Klimaatschademonitor’ gelanceerd. Je kan er de klimaatschade, door stormen en overstromingen, aan woningen, handelszaken, ondernemingen en voertuigen voor de voorbije tien jaar per gemeente, raadplegen.
Ook banken kunnen bijdragen, bijvoorbeeld door aangepaste kredieten te voorzien voor adaptatiemaatregelen of door de risicobeoordeling van vastgoedtransacties af te stemmen op klimaatexposure. Zo worden kwetsbare gebieden geleidelijk ontmoedigd voor bijkomende verharding, terwijl robuuste investeringen aantrekkelijker worden.
Particuliere en collectieve acties: weerbaarheid van onderuit versterken
Naast overheidsmaatregelen is ook het individuele en collectieve gedrag van huishoudens en bedrijven van belang. Eigenaars kunnen hun woning beschermen door het gebruik van regenwater, vergroening van de tuin, aanleg van groendaken of gevelgroen, verhoging van drempels en slimme waterbuffering. Collectieve acties zoals buurtgroenzones, gescheiden rioleringssystemen en waterdoorlatende parkeerplaatsen maken wijken weerbaarder tegen extreme weersomstandigheden.
Op dat vlak kan bijv. het woonproject Elsbos in Dendermonde als een goed voorbeeld worden vermeld. In een waterrijk gebied gaat het om een hele nieuwe sociale woonwijk rondom een grote, centrale groenzone met vlonderpaden die fungeert als buurtpark. Er werden wadi’s aangelegd en er is heel wat ruimte voor recreatie. Door de ingrepen aan de waterhuishouding wordt ook de aanpalende bestaande woonwijk veel beter gevrijwaard van wateroverlast.
Bedrijven kunnen op hun terreinen inzetten op infiltratievoorzieningen, waterhergebruik, schaduwzones en hittemitigatie. Door tegelijk waterverbruik te reduceren en piekbelasting op het rioleringsstelsel te vermijden, leveren ze een dubbel voordeel.
De Blue Deal 2025-2029
Op 14 juli 2025 keurde de Vlaamse Regering de Blue Deal 2025–2029 goed: een strategisch kader dat het waterbeleid voor deze legislatuur vastlegt en inzet op vasthouden, bergen, infiltreren en hergebruik, met expliciete doelstellingen voor waterkwaliteit, droogte, overstromingen, grond- en drinkwater. Daarbij werd 330 miljoen euro voor deze legislatuur vrijgemaakt, ingebed in een meerjarig budgettair kader vanuit de beleidsdomeinen Omgeving en Mobiliteit & Openbare Werken voor watersysteembeheer en de waterketen. In de regeringsnota staat tegelijk dat de behoeften het huidige budget overstijgen en dat een bijkomende budgetvraag wordt voorbereid. Dit bevestigt de koers én de middelen om blauw-groene netwerken en waterbesparende oplossingen versneld te realiseren in steden, kernen en landschappen.
“
Klimaatverandering confronteert ons steeds vaker met watertekorten, hevige regenval en overstromingen. Met de nieuwe Blue Deal kiezen we voor structurele weerbaarheid: meer infiltratie, meer buffering, meer ruimte voor water. Vlaanderen wordt waterveiliger, gezonder en beter voorbereid op de toekomst. De bouwsector speelt hierin een sleutelrol, met slimme ontwerpen, duurzame materialen en infrastructuur op maat van een veranderend klimaat. Samen bouwen we aan een Vlaanderen dat de stormen van morgen aankan.”

Van waterverspilling
naar waterzekerheid
De beschikbaarheid van zuiver water lijkt in Vlaanderen lange tijd vanzelfsprekend te zijn geweest. Toch behoren we, samen met Zuid-Europa, tot de regio’s met de laagste natuurlijke waterbeschikbaarheid per inwoner in de Europese Unie. Dat heeft te maken met een combinatie van factoren: onze dichte bebouwing, beperkte infiltratiecapaciteit, versnipperde waterlopen, de hoge waterbehoefte vanuit o.a. industrie en landbouw, en een drinkwatersysteem dat grotendeels afhankelijk is van een beperkt aantal infrastructuurassen. Eén daarvan is het Albertkanaal, dat vandaag niet enkel een belangrijke rol speelt voor de binnenvaart en industrie, maar ook mee instaat voor de drinkwatervoorziening van grote delen van Vlaanderen.
In droge zomers komt dat systeem steeds vaker onder druk te staan. Het waterpeil van het Albertkanaal zakt dan tot onder het kritieke niveau, met verstrekkende gevolgen: binnenvaart wordt beperkt, industriële processen worden vertraagd, en waterbedrijven krijgen het moeilijk om aan de vraag te voldoen. In zulke situaties ontstaat de paradox dat niet het gebrek aan water doorheen het jaar het probleem is, maar het ontbreken van buffers en een performant hergebruikmodel. Vlaanderen is in tijden van droogte niet alleen afhankelijk van neerslag, maar ook van keuzes die burgers, bedrijven en overheden maken in hun dagelijkse omgang met water.
De gezinnen in Vlaanderen verbruiken gemiddeld 89 liter leidingwater per persoon per dag. Daarvan gaat ongeveer 30 liter – dus meer dan één derde – naar douchen en baden. Vandaag wordt hiervoor standaard leidingwater gebruikt, hoewel dat in essentie niet nodig is. Onderzoek van Embuild Vlaanderen en Buildwise, in het kader van het door VLAIO gesteunde COOCK-project Waterbewust Bouwen, toont aan dat regenwater, mits filtering en desinfectie, perfect geschikt is voor gebruik in de douche. De perceptie dat dit onveilig zou zijn, houdt geen stand bij een correcte technische uitvoering. Toch verhindert de huidige regelgeving het gebruik van gezuiverd regenwater voor persoonlijke hygiëne, omdat douchewater onder dezelfde drinkwaternormering valt als water voor consumptie. Dit betekent dat honderdduizenden liters perfect bruikbaar hemelwater jaarlijks niet ingezet worden voor toepassingen waarvoor geen drinkwaterkwaliteit vereist is.
Het potentieel van deze toepassing is bijzonder groot. In een doorsnee huishouden zou door douchen met gezuiverd regenwater jaarlijks tot 11.000 liter leidingwater per persoon kunnen worden uitgespaard – dat is meer dan 12% van het totale verbruik. Op Vlaams niveau vertaalt zich dat in tientallen miljoenen kubieke meters per jaar die niet langer uit grondwaterlagen of kanalen zoals het Albertkanaal hoeven gehaald te worden. Die besparing is in tijden van droogte geen bijkomstigheid, maar kan het verschil maken tussen systeemdruk en veerkracht.
Ook het hergebruik van grijswater – licht vervuild water afkomstig van douche, bad en lavabo – biedt bijkomende kansen. In tegenstelling tot hemelwater is grijswaterproductie onafhankelijk van het weer of dakoppervlakte, en blijft de aanvoer stabiel, zelfs tijdens hete en droge zomers. Wanneer dit water wordt opgevangen, gefilterd en hergebruikt voor toepassingen zoals toiletspoeling, poetsen of het onderhoud van tuinen, kan een gemiddeld huishouden tot 30 liter drinkwater per dag vervangen. De technologie hiervoor bestaat al geruime tijd. Toch blijft het aandeel huishoudens dat grijswater benut, voorlopig zeer beperkt. De knelpunten zijn niet technologisch, maar structureel en financieel: gebrek aan duidelijke normen, de kostprijs van filtersystemen en het uitblijven van een stimulerend beleid.
Het huidige Vlaamse beleid is in beweging, met onder meer de invoering van de verplichte regenwaterputten, buffering en hemelwaterverordening. Maar als Vlaanderen haar ambities rond droogtebestrijding, waterbesparing en circulair ruimtegebruik ernstig neemt, dan moeten watercascades – waarin hemelwater en grijswater meervoudig benut worden – de nieuwe standaard worden. Dat betekent: douchen met gezuiverd regenwater waar het kan, toiletspoeling met gerecupereerd grijswater waar het nuttig is, en huishoudens uitrusten met systemen die automatisch schakelen tussen bronnen op basis van beschikbaarheid. Niet enkel in nieuwbouw, maar ook in renovatie liggen enorme kansen.
In tijden waarin een lage grondwaterstand het transport op het Albertkanaal kan stilleggen en de bevoorrading van drinkwater onder druk komt te staan, is circulair watergebruik geen technologische curiositeit meer, maar een strategische noodzaak. Door leidingwater te reserveren voor wat echt zuiver moet zijn, en alternatieve waterstromen in te zetten waar het kan, vergroten we de robuustheid van het systeem. Wie vandaag watercirculatie mogelijk maakt, voorkomt droogtecrisissen van morgen. De bouwsector beschikt over de kennis, ervaring en innovatiekracht om deze waterlogica realiteit te maken.

Watergebruik & Hergebruik
De klimaatopwarming resulteert in perioden van extreme neerslag in de winter en lange perioden van droogte en piekbuien in de zomer. In een dichtbevolkt land als België, neemt het risico op waterschaarste snel toe. De bouwsector kan met een aantal bestaande en nieuwe technieken een oplossing aanreiken. Net zoals bij energie, is die oplossing gebaseerd op een drieluik in 3 assen, samengebracht in de trias aquatica (Figuur 1).
Rationeel watergebruik
De eerste strategische as richt zich op het beperken van watergebruik, waarbij gestart wordt met de inzet van waterzuinige toestellen. Voor een succesvolle implementatie is het noodzakelijk aandacht te besteden aan uitvoeringsaspecten, dimensionering en onderhoudsmogelijkheden, eventueel geïntegreerd in een smart gebouw of concept. Het opnemen van eisen voor waterzuinige toestellen in lastenboeken en het ondersteunen van bouwprofessionals bij hun keuzes kan verder bevorderd worden door initiatieven als het Europese Unified Water Label en de ISO 31600:2022, die beogen nationale labels internationaal te harmoniseren.
Daarnaast helpen lekdetectietoestellen om verborgen lekken snel op te sporen en schade te beperken. Slimme watermeters, die steeds vaker worden geplaatst, kunnen hier in de toekomst ook bij helpen.
Tot slot zal het drukbeheer in installaties, vooral bij een toename aan hoogbouw, een steeds belangrijke rol spelen.
Circulair water(her)gebruik
De nieuwe hemelwaterverordening van 2023 verplicht het installeren van hemelwaterputten niet alleen bij nieuwbouw of heropbouw, maar ook bij grootschalige renovaties en uitbreidingen. Tevens is de minimale capaciteit van deze putten vergroot, waardoor extra hergebruik mogelijk wordt. Om echter aanzienlijke vooruitgang te boeken, zullen aanvullende maatregelen nodig zijn. In dichtbebouwde stedelijke woonwijken, waar percelen klein zijn en de bebouwing dicht op elkaar staat met een groeiende bevolking, is er vaak beperkte ruimte voor de opvang en het hergebruik van hemelwater. Ook is de beperkte dakoppervlakte in functie van de hemelwaterbehoefte, bij bepaalde gebouwtypes, zoals appartementen, rusthuizen enz. een beperkende factor voor het maximaal hergebruik van hemelwater. We zien dat er vandaag in Vlaanderen slechts 3% hemelwater wordt gebruikt in appartementen, dat is veel minder dan het algemeen gemiddelde van 10%.
Sinds 2021 is de NBN EN 16941-2 van kracht in België. Deze norm legt kenmerken van grijswaterbehandeling vast en biedt richtlijnen voor ontwerp, dimensionering, installatie, gebruik en onderhoud van een grijswatersysteem. Volgens deze norm is productie van (licht)grijswater goed afgestemd op het watergebruik van de toiletten (de meest gebruikte grijswatertoepassing).
Het is van belang dat grijswaterinstallaties aan terrein winnen en dat het besef toeneemt dat hemelwater doorgaans van te hoge kwaliteit is voor toepassing als toiletspoeling. Voor het spoelen van toiletten verdient het de voorkeur gezuiverd grijswater toe te passen, met name wanneer er onvoldoende hemelwater beschikbaar is. Op deze wijze kan hemelwater worden gereserveerd voor meer hoogwaardige doeleinden, zoals tuinbesproeiing.
Hoofdstuk 4
Weerbare bouwbedrijven
in een veranderende tijd
De bouwplaats van de toekomst is meer dan een fysieke plek. Het is een knooppunt van data, digitale processen en verbonden technologie en geavanceerde tools zoals BIM, drones, sensoren of AI. Dat is cruciaal om weerbaarder te worden tegen verstoringen in planning, veiligheid en rendabiliteit.
